Met koppensnellers door de jungle van Borneo

Avontuurverslaafd

Na een wild avontuur als marinier waarin ik in snel opvolgend tempo een een zware opleiding doorstond, arctic warfare and survival training kreeg boven de poolcirkel in Noord Noorwegen, bergtraining in de Alpen, jungle training in het Midden Amerikaanse Belize kreeg en een commando opleiding in het Caribische Martinique stond ik in 1993 buiten de poorten van de Mariniers kazerne in Doorn en trok figuurlijk een deur achter me dicht. Wat nu?… Het leven na dit avontuur kon beginnen. Maar wat?..

Borneo?!

In een bibliotheek las ik in een boekje over een oude handelsroute uit 1800-zoveel, dwars door Borneo, het één na grootste eiland ter wereld, anderhalf keer zo groot als Frankrijk, overwoekerd met primair regenwoud. Ik weet niet meer waarom ik hierover las en in welk boek, maar ik weet dat het me niet los liet en als er iets in mijn hoofd zat, moest het rap gebeuren. Ik had wat geld en alle tijd en vooral was ik reuze benieuwd naar een avontuur ver weg in het onbekende. Snel las ik meer boeken over Borneo en de mensen die er woonden, Dayaks de koppensnellers en Punan, de nomadische stammen. Aan de kust veel (Moslim) immigranten uit Sulawesi want de rest was Animistisch of bekeerd tot Katholiek of protestant. In het centrale deel van Borneo waren de Muller mountains. Hieruit vloeiden meerdere riviersystemen naar de kust. Langs deze rivieren lagen de dorpen en de rivier was de enige route naar het binnenland en de grotere plaatsen aan de kust. Alles moest van ver komen of was lokaal gemaakt. Vroeger waren deze stammen onderling in conflicten en snelden ze elkaar kopjes omwille van de spirituele kracht die je eraan ontleende. Vandaar dat iedereen in zogenaamde long-houses woonden. Langgerekte gemeenschapshuizen op hele hoge palen. Zo konden ze relatief veilig wonen. Enfin, ik wist genoeg en boekte een vlucht.

Nooit eerder was ik in Indonesië. Een voormalig Nederlands kolonie (Indië) waar mijn vader nog probeerde te vechten tegen de “Jappen” maar vergeefs in de Politionele acties werd ingezet. Zoals de Engelsen zeggen: The rest is history. Een zwarte pagina of twee in beider landen hun geschiedenis die nog steeds het daglicht niet kan verdragen. De praktijk was dat ik eenmaal aangekomen aldaar, overal warm werd ontvangen en oudere heren zelfs Nederlands met me wilde spreken.  Uiteraard verklaarde iedereen met wie ik sprak me voor gek met mijn plannen maar verzekerde me dat het erg mooi was.

Ik was ongeduldig en pakte de eerste de beste vlucht naar Kalimantan, het Indonesische deel van Borneo. Mijn initiële idee was om, zoals ik gelezen had, te reizen van oost (vanaf de stad Samarinda) naar west, eerst een rivier op (de Mahakam) en dan de Muller Mountains over te voet en dan een rivier weer afgaan (de Kapuas) om uiteindelijk weer bij de kust aan te komen in de cultureel en etnisch grotendeels Chinese stad Pontianak.  Maar mijn ongeduld deed me belanden in Banjarmasin, een stad in het zuiden.

Het oerwoud in

In Banjarmasin was het warm. Diep warm, nat, klef, zweterig, zoals alleen een jungle klimaat een benauwd deken over je heen kan gooien. Ik probeerde mijn reis verder te plannen maar er kwam geen schot in. Ik wilde echter niet lang wachten en besloot mijn plannen aan te passen. Want van hier ging een rivier diep de binnenlanden in, noordwaarts. Wellicht kon ik als ik de rivier helemaal opging, te voet bij de Kapuas uitkomen om die vervolgens af te dalen. Hierover had ik niks gelezen en wellicht was dit hét avontuur dat op me wachtte..?! Ik vertrok op een drukke ‘bus-boot’ vol mensen vanuit gebieden stroomopwaarts, traag maar gestaag op een grote brede rivier. Iedereen overnachtte en maakte eigen maaltijden klaar. Ik was snel een attractie en iedereen wilde met me praten maar sprak geen Engels. Ik had een Hoe & Wat boekje bij me en binnen enkele dagen kon ik redelijk uit de voeten met “Bahasa”, de grote gemene deler in het land van 1000 culturen, eilanden en evenveel talen.

Iedereen wist me te vertellen dat bij de volgende van de tientallen stops ik maakte om zover mogelijk noordwaarts te geraken, ik onthoofd zou worden door koppensnellers. Met ernstige ogen keek men me aan of ik echt helemaal gestoord was. Of ik niet beter terug naar de kust en met een vliegtuig naar mijn uiteindelijke bestemming kon gaan?!
Na vele dagen reizen moest ik in steeds kleine boten rivier opwaarts. De prijzen werden duurder en duurder omdat alles waaronder benzine, via dezelfde route als ik daar moest komen. Toen er helemaal geen boten meer waren en slecht vele mijlen van houtkapbedrijven liep ik of kon ik soms een lift scoren. Eenmaal liep ik een pad op en toen zag ik vrouwen en kinderen de bossen in vluchten.  Alsof ik een spook was, zo bang waren ze. Hierdoor kreeg ik zelf de kriebels en verwachtte elk moment hun boze mannen met kapmessen. Uiteindelijk kwam ik bij een dorpje en kon ik achterop een crossmotor de laatste 90 km afleggen. Aangekomen na een een echt off-road avontuur nam de motorrijder direct aanstalte en vertrok de jungle in over het smalle bospad waarover we gekomen waren. We hadden obstakels overwonnen als rivieren, omgevallen bomen, ‘land-slides’, overwoekerde paden en meer.

Gek geworden

Ik was al gewend dat eenmaal aangekomen in een desa (dorpje), ik me bij het dorpshoofd moest melden, de kepala desa. Alle wijze mannen werden verzameld waaronder altijd de onderwijzer en in een officiële vergadering werd besloten waar ik mocht overnachten, eten en wanneer er weer over mijn plannen werd gesproken. Ik was de zesde blanke die zich ooit officieel in het dorpsboek registreerde. Eén ding werd me duidelijk: ze waren redelijk emotioneel en ik hoorde het woord “gila” steeds vallen. Ik had een klein oud woordenboekje gekocht en ik vond de betekenis: ‘Gek’! Ze weigerden dan ook mij verder te helpen. Er zouden sowieso twee gidsen mee moeten omdat alleen terugreizen uit den boze was vanwege het gevaar.  Daarnaast werd me te kennen gegeven dat ik niet langer welkom was en moest verkassen. Uhm, okay… lastig. Ik kneep hem want ik wist hoe de heenweg eruit zag. Ik moest alleen een roteind gaan lopen en hopen dat ik alle juiste afslagen zou nemen om niet te verdwalen. Dit was voor het tijdsperk van de GPS en smartphones. Ik was not smart en zette mijn beste trillende been voor en begon aan mijn aftocht. Het donkere oerwoud in, gevolgd door een dorpshond die ik maar niet kon inschatten.

 Na uren lopen met rugzak, kapmes en veldflessen vol water hoorde ik vanuit het donkere woud van vlakbij een enorme kreet, een harde ijzingwekkende schreeuw. Ik schrok me wezenloos en pakte mijn parang (kapmes) in één hand en mijn grote zakmes in het andere en vervolgde mijn weg. Ik vermoedde dat het een jaguar was of een andere grote kat. Einde dag dacht ik dat ik op zoek moest naar een plek om mijn tent op te zetten toen ik ineens begreep dat ik verdwaald was. Maar geluk is met de domme want ik kwam uit op een zogenaamde logging-road. Wegen gemaakt om meestal illegaal gekapte bomen per vrachtwagen te vervoeren naar logging-camps. Ik wachtte op de weg, had geen haast en wist dat er uiteindelijk wel iets voorbij moest komen, althans zo hoopte ik. En ja hoor, binnen tien minuten kwam er een grote vrachtwagen volgeladen met bomen de hoek omgereden met grote vaart. Gillend ging hij op zijn remmen en voor ik het wist zat ik aan de koude Sprite en zat een vrachtwagen- chauffeur vol ongeloof naar mijn verhaal te luisteren. Ik moest weer rivier-afwaarts en mijn plannen weer aanpassen. Maar ik sliep nu tenminste in een kamp en in een bed en werd wederom als een curieuze attractie aanschouwd in de eetzaal van het houthakkerskamp.

Bewusteloos in het bos

Ik was beland in een animistisch afgelegen dorpje een eind verder naar het zuiden. Het was erg afgelegen en ik was welkom om hier te zijn een paar dagen. Ik sprak met iedereen en iedereen met mij.  Alles was hier handgemaakt, oud en origineel met verhalen en historie. De mensen waren vriendelijk en stonden dicht bij de natuur. Ik mocht bij een genezing van een zieke vrouw aanwezig zijn door de lokale medicijnman. Het dorp lag rond een vork in een kleine zijrivier en het was leuk om rond te lopen en met de kinderen had je altijd als eerste contact om later met de wijze mannen in contact te komen. Een echt traditionele cultureel evenement is het ladderzat worden met elkaar van Arak, een eigen gebrouwen soort “whisky”. Dat lukt goed en ik stelde niet teleur. Echter, mijn schoenen die ik vol eerbied overal buiten liet staan, waren die ochtend verdwenen en niemand wist van niks. Ik besloot dat ik verder moest.
Ik huurde in een dorp verderop twee gidsen in die me wilde begeleiden van de Barito (globaal zuid – noordwaarts), naar de Mahakam (globaal oost – westwaarts).
Eindelijk de jungle in. Daar gingen we. Het zou enkele dagen duren maar ik voelde me fit en had er zin in. Ik wist hoe ongelofelijk zwaar het was om überhaupt in een jungle te zijn, laat staan te lopen met bepakking.
borneoNa een dag of twee werd ik wakker, zittende tegen een boom. Ik wist niet waar ik was of wat ik deed. Ik zag alleen maar bos om me heen en één van de gidsen maakt een soepje met een soort eetbaar hout voor me. Ik was blijkbaar van mijn stokje gegaan en bewusteloos gevallen.  Ik was sterk en kon alles aan zolang ik maar genoeg kon eten, zo wist ik van alle fysieke gekte die ik had meegemaakt bij het korps mariniers. Dus na het soepje voelde ik me snel beter en vervolgde we onze weg. Na drie dagen lopen, onderweg kamp vuurtjes makend voor thee of koffie of soep, kwamen we aan bij een pad. Een pad werd een zandweg. Dat werd een verharde weg en na eindeloos lang lopen op die weg kwamen we aan, helemaal uitgeput, bij een dorpje waar we werden verwelkomd.

Opnieuw proberen

Samarinda was een heerlijke stad om in te zijn na alles dat ik achter me had. Ik kon ijskoude limonade drinken en door de stad dolen, in riksja’s rijden en monumenten bezoeken. Ik was heerlijk de toerist aan het uithangen. En ik kon weer op krachten komen voor de tocht waarvoor ik hier gekomen was; de Muller mountains over. Dwars door het primaire regenwoud van duizenden jaren oud. Hier liepen volgens sommigen nog de illustere Borneose neushoorn rond. Redmond O’Hanlon’s boek ‘Into the Heart of Borneo”, ging hierover. Een best seller van een “klungelige” Britse intellectueel die ik met veel plezier had gelezen in de vlucht vanuit Amsterdam.
Ik besloot niet weer weken op een bus-boot te gaan varen en nam een vlucht landinwaarts en landde op een onverharde landingsbaan. Dat is het best te vergelijken met een soort gecontroleerde crash. Enfin, snel zat ik weer in motorboten stroomopwaarts tegen stroomversnellingen in. Vele vaten benzine gingen erdoor en verlengde uitgeholde boomstammen die als ondiepe “gleuven” door het wilde water gleden was een beangstigende ervaring. Iemand voor op de boeg met een stok om rotsen aan te duiden of deze af te houden terwijl stilstand, achteruitgang betekende in golven zo hoog dat je de oever niet meer zag. Een soort prehistorisch wildwatervaren met buitenboordmotoren hield ook in dat we moesten uitstappen en de boot moesten slepen. Tot het moment kwam dat ineens gestopt werd in een kalme bocht in de rivier. Hier laden we alles uit en de boot vertrok. Daar stonden we dan. Ik keek schaapachtig voor me uit omdat ik geen benul had van wat er komen ging.

De bergen over

Direct gingen we een steil paadje op. De gidsen waren ervaren en hadden wilde verhalen over reuze pythons die op hoge takken lagen te wachten tot er een prooi onderdoor kwam. Een van de gidsen was zo aangevallen geweest. Anderen waren te hulp geschoten en hadden met hun parangs (vlijmscherpe kapmessen die iedereen in de jungle draagt) korte metten maakte met de reuze-slang. Dit soort verhalen zette met volledig op scherp. Althans, de eerste vijf minuten van de reis. Elke tak kon een slang zijn tot je dat opgaf uit pure uitputting. Ja, na vijf minuten lopen was ik al doodmoe, zeiknat van het zweet en wist ik dat we nog wel even bezig zouden zijn want teruggaan zat er niet bij.
De bomen werden groter en groter en het groen werd groener, dichter en hoger. Meer en meer werden paden of bos verruild voor riviertjes om door te waden. Rivieren weder onze paden. Kleine watervallen werden als niets betekende obstakels genomen en behalve rijst en zout, hadden we geen eten bij ons. Dat zouden we vangen. Kamp zetten we op in bochten in de rivier, iets van het water af hogerop. Als het donker werd zetten we netten uit in de rivier. We knoopten messen op lange stokken en gingen jagen op kikkers. Vis ging vaak met water op het vuur en kookten we tot een soep. Kikkers gingen als saté het vuur op. Huid er eerst af en dan kon je ze altijd eten. Rijst ging met water in een stuk bamboe op het vuur en kookte gaar tot een harde cilinder met bijzondere smaak. Ontbijt was uiteraard rijst en lunch ook.
Tijdens de dagelijkse trek door het oerwoud door rivieren, beddingen, watervalletjes, paadjes langs de oever en over bomen over de rivier hielden we vaak halt voor thee. Het regenwoud heet regen-woud om een bijzondere reden: Het regent er er. Het regent er veel en vaak en hard. Tijdens regen stonde we gedrieën onder mijn poncho te schuilen terwijl er dan een kampvuurtje onder gemaakt werd waarom thee gekookt kon worden.

Dag na dag liepen we door een groene zee, een oceaan van bomen met een groene hemel waar de zon nauwelijks doorheen kwam. Juist in de rivieren was er af en toe zon. Altijd was je nat. Nat van water, van zweet, van de kleffe lucht en niets droogde vanzelf. Tijdens stops gingen de shirts uit en legden we die te drogen in de zon. In de zon kwamen er soms tientallen prachtige kleine gele vlindertjes op af om het zout op te likken. Soms enorm grote felblauwe vlinders. Soms ook honderden kleine bijen. Dan was het terugpakken van de kleren iets avontuurlijker. Dat moest soms met stokken en dan rennen. Elke 20 minuten stopten we voor een bloedzuiger pauze. Deze landbloedzuigers zitten op lage takjes en planten als gulzige wormpjes, reikend naar alles dat voorbij komt, om zich vol te zuigen en dan weer los te laten. Ze bijten zich vast aan je huid maar verdoven deze beet zodat je meestal niets voelt. Er zijn allerlei manieren om hen eraf te krijgen in deze ontstekingsgevoelige tropische locatie. Tabakssap, met hete mespunten, speciale tangetjes of sigarettenpeuken. Bij de eerste dat ik zag dat ik een bloedzuiger had was ik helemaal van slag als een gillende keukenmeid. Maar al snel had ik een handigheidje gevonden door ze eraf te krabben en gelijk weg te schieten met mijn hand want je kreeg ze nauwelijks van je af. Ze zaten werkelijk overal, achter mijn oren, in mijn broek onder mijn zak (ja inderdaad) maar meestal overal op mijn benen. Een keer werd ik ‘s-nachts wakker en toen zat er een op mijn lip. Je moet heel gevoelig zijn want ze verdoven hun beten dus je wordt in zo’n hel van enge beestje en insecten snel paranoide. Ik was er niet van gecharmeerd al die kriebelige dingen maar liep in de praktijk vaak onder het bloed door het bos omdat de beet ook het bloed niet deed stollen.

De communicatie verliep eigenlijk heel erg goed. Ik kon vrijwel altijd zeggen wat ik wilde. De band met deze bijzondere mensen, de Dayaks was erg goed. Ze waren een trots zelfstandig volk. Veel bleker was hun huid dan mensen in Java vanwege het gebrek aan zon hier op de evenaar onder de begroeiing van het regenwoud. De dagen verliepen heel gestaag en zonder incidenten. Ik sliep vaak open en bloot zonder tent. Het voelde geweldig. Ik dronk uit beekjes en we vingen ons voedsel elke avond. Het was voor mij zoals verwacht: geweldig en prachtig. De trek naderde zijn einde.

borneo1We kwamen aan bij eerst enkele jachthutten. Confrontaties met grote zwarte schorpioenen deden me weinig. Aan de kant schuiven en op de grond in slaap vallen. Later kwamen we aan bij kleine akkertjes waar tijdelijk huisjes stonden die alleen in bepaalde seizoenen in gebruik waren. Paden leidden ons naar het eerste dorp en daarna een tweede. Al gauw kwamen we bij de grote rivier de Kapuas die naar de kust leidde. Maar hier in de bergen was dat nog een wilde rivier met indrukwekkende stroomversnellingen. Na een paar dagen wachten, kon ik met een handelaar mee de rivier op, richting de kust uiteindelijk. Eerst angstaanjagend en later heel relaxend tot ik uiteindelijk de grote naderde en in verkeer terecht kwam in de hectiek van een klassieke Aziatische stad. Overal werd op straathoeken gekookt op felle vlammen met woks en tuin-tafeltjes en -stoeltjes werden ad-hoc restaurants.

Mijn visum begon te verlopen en ik kon met een bus naar het Maleisisch deel van Borneo: Sarawak. De grens over en even de toerist uithangen en ik kon weer terug de grens over met een verse stempel die me weer drie maanden toestond in Indonesië.  Bij Kuching in Sarawak waren stranden en het leek me leuk daar te overnachten. Eenmaal daar daar voelde ik me niet lekker en ik ging een klein losmen in, een klein hotelletje aan een plein vol eet-tentjes. Eenmaal op bed voelde ik me slechter en slechter. De rest werd een droom. Ik herinner me dat ik op handen en voeten door de gang kroop op weg naar de badkamer om water te drinken. Ik was nauwelijks bij bewustzijn. Ik herinner me dat er mensen aan mijn bed stonden. En dag drie besloot ik met al mijn kracht zittend de trap af te gaan als een kind, om op het plein het het hotelletje een soepje te halen. Dit was de microbiologische nasleep van mijn jungle avontuur: Malaria. Het voelde echt niet fijn en ik moest bijvoorbeeld mijn hoofd vasthouden tegen de pijn om overeind te komen. Ik woog al niet veel maar ik was veel gewicht kwijt geraakt. In de nare airco bus terug naar Kalimantan sliep ik voornamelijk en terug in Pontianak kreeg ik van het (iets te goedkope) hotel, een “vrouw” kado die mijn kamer niet uit wilde. Gelukkig hield ik van goed Aziatisch eten en kon ik op geen fijnere plek zijn dan hier wat dat betreft. Voordat het internet bestond en communicatie een fluitje van een cent was, had ik afgesproken met een vriend uit Nederland, dat hij hier op een bepaalde datum zou zijn en we om twaalf uur op een specifieke locatie elkaar zouden ontmoeten.  Dagen later bleek hij pas te arriveren. Samen smeedden we een nieuw plan: We gingen op zoek naar de nomadische stammen van Borneo…. (wordt misschien vervolgd) 😉